CAMBODJA

Home

Dagboek

Foto's

Kaart

Route

Klimaat

 

Dagboek van een fietser………


Reisverslag van een solofietstocht door Cambodja met als begin en eindpunt Bangkok in Thailand.

 
Vrijdag 7 februari 2003

Düsseldorf – Bangkok (9076 km)


Ik vlieg weer. Thailand heeft haar leger aan de grens met Cambodja in staat van paraatheid gebracht. De Thai mogen er niet uit, de Cambodjaanse mensen er niet in. De grens is gesloten, volgens de kranten niet voor toeristen. Toch, ben ik er niet helemaal gerust onder. De ‘strijd’ tussen Thailand en Cambodja is vorige week begonnen, toen een Thaise actrice gezegd zou hebben dat het beroemde tempelcomplex Angor Wat, wat in Cambodja ligt, eigenlijk van Thailand is. Deze uitspraak heeft in Bangkok en in Phnom Penh tot relletjes geleid. Het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken was nog steeds positief, dus ik vlieg weer.
Het was wel even schrikken bij het instappen. Op de plaats naast mij zit en zeer corpulente Duitser. De vetranden rollen over ‘mijn’ leuning. Zijn dikke knieën nemen een deel van mijn, toch al kleine beenruimte in beslag. Gelukkig is het vliegtuig niet vol en na 10 minuten komt een vriendelijke stewardess mijn buurman een andere plaats aanbieden. Heerlijk, dus nu ook voor mij meer ruimte.
 
Zaterdag 8 februari 2003

 Bangkok

Vijf minuten nadat ik het hotel en de kamer gezien heb, heb ik al spijt dat ik hier twee nachten geboekt heb. Niet smerig, niet schoon, treurig.Uitzicht op een muur. De swimmingpool, waar ik deze dagen wilde uitrusten, is een klein hoog omheind hoekje achter het hotel. Het hotel verdiend met recht de naam Airport hotel. Het ligt precies onder de startbaan van het vliegveld van Bangkok. Bij de pool zie ik duidelijk hoe de vliegtuigen, die met donderend geraas overvliegen, hun landingsgestel inklappen. De foto van het hotel op het Internet zag er prachtig uit.
Toch blijf ik (lekker) niets doen. De vlucht was aangenaam, elf uur. Één uur sneller dan gepland. De pick-up service van het hotel is niet op het vliegveld aanwezig. Na enkele telefoontjes van behulpzame vliegveldbeambten, komt het busje na anderhalf uur.
 
Zondag 9 februari 2003

Bangkok

Bangkok. Het verkeer is moordend. Vier banen de stad in, vier banen de stad uit. Maar waar begint “in” en waar eindigt “uit”? Dit doe je niet voor je lol. Dit ‘moet’ even. Vandaag een proefritje gemaakt, zodat ik morgen niet meer hoef uit te vinden hoe ik de stad uit kom.
In de auto van het vliegveld naar het hotel, dacht ik. Hier ga ik NIET fietsen. Als je er eenmaal in zit valt het echter wel mee. De linkerbaan is voor het langzaam en stop, bus en taxi, verkeer. Links rijden is geen probleem. Honderden geven het goede voorbeeld. Maar dan, met vier banen, worden er zes, de rotonde op. Ik moet half rond, dus even (!) naar rechts. Gewoon doen. Rustig rijden. De Thai rijden snel, maar remmen doen ze, en blijven ze hoop ik, ook snel.
Met de spijsvertering in Azië is het altijd even wennen. Het gaat er heet in en komt er, wat vaker, ook heet uit.
Jetlag, ook iets war je niet omheen kunt. Gisteren ben ik om 05:00 uur plaatselijke tijd geland. In Nederland is het dan 23:00 uur. In het vliegtuig heb ik, ondanks de slaappil, niet veel geslapen. Mijn devies met jetlag, zo snel mogelijk in het ritme van het land komen. Dus niet even ’s middags tussendoor gaan slapen. Met hangen en wurgen kom ik de middag door. WIL niet in slaap vallen. Eten doe ik op de klok, niet op het (honger) gevoel. Om één uur en om zeven uur.(Nieuw) ritme. Om acht uur vallen mijn ogen, bij het lezen van een boek dicht. Ik geef het op. Ga slapen. Tweemaal moet ik opstaan, omdat mijn darmen nog niet aan het eten en het ritme gewend zijn. Ik slaap de klok rond. Uitgerust stort ik me op het zeer uitgebreide ontbijt.
Vanmiddag bezoek ik in het centrum van Bangkok de grootste en oudste tempel Wat Pho. Met daarin een liggende Budha van 46 meter lang en 15 meter hoog. Veel toeristen. Heel mooie tempel.
De taxichauffeur vraagt of hij de Highway op mag of moet. (wat hij vraagt weet ik niet precies). Ik zeg maar oké. De tol 20 Baht (½ Euro) moet ik zelf betalen. De Highway is echt high, staat op palen, boven het ‘normale’ verkeer en gaat dwars door Bangkok. De chauffeurs houden van hard rijden. Zo gauw ze weer een paar meter autovrije ruimte voor zich hebben, gaat het gas op de plank. Onderweg passeren we een grote foto, van, denk ik, de president. President? Vraag ik de chauffeur. Er volgt een heel verhaal, waaruit blijkt dat het inderdaad de president is. De president moet alle Cambodjanen de keel doorsnijden, begrijp ik uit woord en gebaar. Wat één klein incident met de gevoelens van een volk kan doen. Ik hoop niet dat alle Thai er zo overdenken.
In de krant van gisteren lees ik dat de presidenten van de twee landen weer met elkaar gaan praten. Echter Thailand heeft wel alle economische hulp aan Cambodja stop gezet. Dit tot er duidelijkheid is over de betaling van de schade aan Thaise eigendommen in Phnom Penh. In Phnom Penh is alles weer rustig. Toch zijn er volgende de krant minder toeristen.
 
Maandag 10 februari

 Bangkok – Phanon Sarakham (104 km)

‘Even’ Bangkok uitfietsen. Het duurt meer dan een uur voordat ik ‘even’ geen huizen zie. Dan ben ik al weer ik de volgende voorstad, Min Buri. Op de kaart lijkt het alsof er direct na Bangkok veel groen te zien zou zijn. Niets is minder waar. De eerste 30 kilometer alleen huizen, fabrieken, mensen en auto’s. Honderden auto’s verlaten met mij Bangkok. Tweemaal vier rijbanen de stad uit en in. Echt leuk is het niet. Toch raak ik er op een gegeven moment aangewend. De Thai rijden hard, maar beleefd. Geen geclaxonneer als ik even midden op een baan fiets. Geen piepende remmen. Veel verkeer, je went er aan.
Waar ik niet aan kan wennen zijn mijn nieuwe fietstassen, die alweer van de fiets vallen. Een keer of tien moet ik moet ik stoppen, om ze weer vast te zetten. Dit is nu het derde jaar dat ik problemen heb met de tassen. Ortlieb en nu Vaude, beide gerenommeerde merken. De tassen worden op de markt gezet als zijnde voor wereldfietsers. Echter bij een wat zwaardere belading houden ze het niet. De zo moderne click sluiting springt bij een lichte schommeling automatisch open. Te zwaar kunnen ze niet zijn. Deze keer hen ik een persoonlijk record, nog geen 10 kilogram voor beide tassen. Ergerlijk, te meer omdat ik op dergelijke zaken nooit bespaar en altijd het beste materiaal probeer te krijgen. Vanmiddag maar even op zoek naar wat ijzerdraad of een grote rubberband om de tassen extra vast te zetten.
Na 100 kilometer zoek ik een hotel. In Phanom Sarakham fiets ik, na een kleine omweg, snel een bouwval hotel voorbij. Aan de doorgaande weg vraag ik waar ik een hotel kan vinden. Ze verstaan me niet. Dan maak ik een slaapgebaar en weten ze ineens wat ik bedoel. Een paar honderd meter verder, het Panom Garden Hotel. Het is maandag, gelukkig, achter het hotel bevind zich een grote disco tuin. Het restaurant is niet open. Op de markt, daar kun je eten. Ik ben de enige toerist. Eerst een bier. Ik hoop dat mijn maag het eten van de markt kan verdragen. Mijn kleine thermometer geeft, in de schaduw 34 graden aan. Te warm om nu naar de markt te gaan. Dan nog maar een bier.
De baas van het hotel spreekt een beetje Engels. Voorzichtig probeer ik, nadat ik gezegd heb, naar Noord Thailand te fietsen, te polsen hoe het in Cambodja is. (Ik heb me voorgenomen in Thailand niet te vertellen dat ik naar Cambodja ga. Alleen als ik het vertrouw, vraag ik). Geen reactie. Wil of kan hij mij niet verstaan?
In Thailand is een belangrijk persoon vermoord. Wie weet ik niet. Tijdens een drinkstop laat een vriendelijk meisje me speciaal hiervoor een Thaise krant zien. Ik begrijp haar en de krant niet. De foto is duidelijk. Wil ze me waarschuwen? Wil ze me bang maken? Twee blikjes cola en een halve liter water 22 Baht (nog geen ½ Euro) De Thai zijn (altijd) vriendelijk. Onderweg steken veel mensen de duim omhoog. Een kleine glimlach van mijn kant, geeft een brede lach en een vriendelijke handgroet terug.
Op de markt aangekomen vertrouw ik het mijn maag toch niet toe hier te gaan eten. Ik koop wat water en chips. Ook zoek ik enkele spinnen om de fietstassen beter vast te zetten. Na vele winkels met vriendelijk mensen, bij de eerste krijg ik een briefje, in het Thai met een adres, vind ik een paar spinnen. Nu maar hopen dat het morgen met de tassen beter gaat. Enkele straten verder dwingt mijn maag mij toch naar een kraampje met noodle soup. Ik laat de onbekende, glibberige, zaken voor wat ze zijn een eet een lekkere soep, ligt goed op de maag.
 
Dinsdag 11 februari

Phanon Sarakham – Aranyaprahet (140 km)

Ik ben om 6 uur klaar. Het is nog donker, morgen een kwartier later opstaan. De weg is redelijk verlicht, besluit toch maar te gaan fietsen. Het is heerlijk koel. Na ongeveer een half uur is het licht. Ik fiets nu echt in Azië. Niet meer tussen de flats van Bangkok, maar bossen, akker, rijstvelden. Akkers met ananas en papaja. De rijstvelden staan droog er is pas geoogst. Ook zie veel vrachtwagens met suikerriet, wist niet dat dat ook hier groeit.
Het klinkt misschien vreemd maar ook het vrachtverkeer voelt hier vriendelijk aan. In Roemenië gingen de vrachtauto’s luid toeterend vlak langs me heen. Hier passeren ze snel maar niet gehaast.

Ik sta te trillen op mij benen als ik het hotel binnenkom. Ga even zitten om in te checken. De laatste 40 kilometer waren moordend. De thermometer geeft 38 graden. Felle zon en warme wind tegen. Hitte van boven en van onder. Het asfalt is als een kachel. Als er asfalt is. De “33”, de weg naar de grens wordt met twee banen verbreed, sommige stukken, zijn ruwe steenslag. Veel wegarbeiders hebben zwarte gebreide handschoenen aan en een zwarte bivakmuts op. Ik vraag me af hoe ze dit in deze hitte volhouden. Ach, wie ben ik? Zij zijn hier geboren en zullen het wel beter weten.
Op het moment dat ik bij de 90 kilometer ben is het elf uur. Mooie weg, lekker rustig. Vanmorgen ben ik na een uur van de hoofdweg afgeslagen. En ga binnendoor naar de grens. Elf uur is nog vroeg, nog maar 50 kilometer tot de grens, moet kunnen.
Volgens ‘de boeken’ is het nu de koele periode gemiddeld 28 graden. ’s Morgensvroeg misschien.

Vriendelijk. “Oh you smiled?” zegt een brutaaltje in het hotel als ik aan het afrekenen ben en zij mij wat te nadrukkelijk aankijkt. Ze is met enkele jonge dames op weg de dagelijkse offeranden te brengen. Bloemen en rijst. Ik weet dat ik niet altijd vriendelijk kijk, dat betekent niet dat ik onvriendelijk ben. Mijn gezicht staat gewoon zo. Onderweg let ik er wat meer op en inderdaad een (glim)lach is een goed begin van communicatie. De Thai zijn er zeker gevoelig voor.
In het hotel vraagt de klerk wat voor kamer ik wil, normaal of superior? Superior ( is maar twee euro duurder) natuurlijk, heb ik vandaag wel verdiend. Als ik de kamer gezien heb besluit ik hier een dag te blijven. Even bijkomen. Mijn kamer heeft terrasdeuren richting swimmingpool.
Weten ze nou echt niet hoe je Cambodja binnen komt? Ik wil overmorgen de grens over. Dacht vandaag even een visum te kunnen regelen. Neem een tuk tuk (Bromfiets-taxi) naar de 8 kilometer verderop gelegen grens. Als de tuk tuk bij de grens is, springen er twee ‘gidsen’ bij op. Ze zullen voor mij praten zeggen ze. Niet nodig zeg ik, ze blijven me hardnekkig volgen en sturen me het Thaise douanekantoor binnen. Ik vertel dat ik een visum voor Cambodja wil halen. Kan niet, eruit is eruit. De twee ‘gidsen’ die me willen helpen zie ik niet meer. Terug naar het SIAM restaurant waar volgens de reisverslagen ook een visum te koop zou zijn. Gesloten, terug naar het hotel.
De grens is trouwens weer open. Een niet aflatende stroom Cambodjanen gaat terug naar hun land. Bepakt en bezakt met de in Thailand gedane inkopen. Meestal levensmiddelen.
Cambodjanen mogen op dit moment wel kopen, maar nu niet zoals vroeger verkopen. Zijn de Thai aan het treiteren? Vandaag, zo lees ik in de krant ontmoeten de presidenten van beide landen elkaar.
Het eten wordt steeds scherper. Ze houden hier geen rekening met farang (buitenlanders). Ik laat de helft staat en eet veel witte rijst. Ze gebruiken hier volgens de Lonely Planet mouse-shit peppers. Zo klein dat je ze bijna niet opzij kunt schuiven en er pas (te laat) in je mond achter komt.
 
Woensdag 12 februari

Aranyaprahet

Rustdag. Goed bekeken was gisteren een idiote fietsdag. Als je, inclusief stops, bij deze temperaturen, gemiddeld 20 kilometer per uur fietst, ben je dan wel goed bij je hoofd? Sommige fietsers pauzeren enkele uren gedurende de hete middagtijd. Ik fiets door. Op de eerste plaats heb je dan meer daglicht over, mocht de geplande rustplaats vol zijn. In de tweede plaats jaagt mijn lust naar een koel glas bier mij ook op.
Vanmorgen toch nog een visum voor Cambodja gescoord. Binnen anderhalf uur geregeld. Op weg richting grens zijn meerdere reisbureaus die visa aanbieden. Ze moeten daarvoor echter wel terug naar het consulaat in Sakeo, waar ik gisteren langs gefietst ben. 1200 Baht of 30 USD, zal wel duurder zijn. Heen en terug Sakeo is ook 80 kilometer en ik hoef niet een (lange) rij te wachten. Alleen daarom wil ik wel wat extra betalen. Als ik het reisbureau binnenkom, is de werkster nog bezig de vloer te vegen. Ik vraag voor een visum. Ze verstaat er geen jota van. Ik wijs op een groot bord waarop “VISA Cambodja“ staat. Nog steeds begrijpt ze het niet. Dan, ook hier, ook de werkster, alleen de armste van de armste niet, haalt ze haar GSM uit haar schort en belt. Ik hoor haar tweemaal VISA spellen, terwijl ze de letters op het bord volgt. Dan begrijpt de andere kant het. Binnen vijf minuten stapt een nette dame van haar scooter de winkel binnen.
Ik heb nog een tijdje bij de grens staan kijken. In de buurt van twee douane beambten heb ik meerdere foto’s gemaakt van Cambodjanen, die met verbeten gezicht hun zware lasten huiswaarts sjouwen. De Thai doen weer goede zaken, ze zullen zelf ook wel niet zo blij geweest zijn met een gesloten grens.
Volgens de krant was de minimum temperatuur gisteren 26.4 graden om 06:20 uur. Maximum 34 graden.
De (hotel)restaurants zijn iets aparts. Zodra er iemand binnen is wordt de grote TV knoert hard aangezet. Meegebracht eten mag ook genuttigd worden. Sommige nemen alleen het gratis water. Je fles bier staat op een tafeltje apart. De ober of oberes schiet toe als je glas half leeg is en vult bij. Als de fles leeg is wordt direct gevraagd of een nieuwe nodig is. Discreet wordt de door twee mannen meegebrachte sterke drank door de bediening overgenomen. De drank zo ver mogelijk uit het zicht houdend, worden ze naar hun tafel geleid. De mannen drinken ijswater met een bruine kleur.
De bediening is zo druk bezig met het vriendelijk zijn dat ze soms, nu ook, de tweede helft van een bestelling vergeten. Singha bier en …. Dan maar even wachten. Ik heb vanmiddag gebraden kip besteld, op de Westerse zijde van het menu. Iets wat ik in principe nooit doe. In het buitenland eet ik het voedsel van het land. Echter de Thaise keuken is voor mij toch een beetje te scherp.
 
Donderdag 13 februari Aranyaprahet (Thailand)

Sisophon (Cambodja) (57km)

De grens gaat pas om 8 uur open. Vandaag dus laat op pad. Bij de grens moet ik nog een half uur wachten. Honderden Cambodjanen stromen Thailand binnen. De douane heeft de in- en uitgaande zijde opengesteld voor de inkomende mensenmassa. Tienduizend per dag zo vertelt een douane beambte. Met vier man tegelijk is men bezig papiertjes af te stempelen. Dan sluit men de uitgaande zijde en mag ik, na uitgechekt te zijn, met ongeveer tien Thai het land uit. Één blanke met een klein rugzakje blijft zuur en chagrijnig langs me heen kijken. De grens is gesloten voor auto’s en dergelijke. Men mag de grens alleen te voet passeren, ik ben de enige fietser. Met ons moeten ook de Cambodjanen die hier verkopen wilden weer terug naar hun land. Alleen inkopen is toegestaan.
Aan de andere kant gaan de ambtelijke handelingen, een visum heb ik al, snel. Dan Cambodja, voor mij, de eerste indruk, de grootste wanorde die ik ooit op de wereld met eigen ogen heb mogen aanschouwen. Vuilnis links en rechts van de weg. Daar achter groezelige winkeltjes. Bedelende kinderen. Kinderen? Een peuter van vijf zes jaar oud met een baby op zijn rug blijft me tijdens de eerste honderd meter, die ik wegens de drukte lopend afleg, volgen. Hartverscheurend. Toch, er wordt voor gewaarschuwd, en ik heb het zelf meegemaakt, als je er één iets geeft, heb je er binnen de kortste keren tientallen om je heen. Dan is het goed op je spullen letten. Als ik bij de douane mijn bril wil pakken is de rits al open. Toch even niet goed opgelet.
“The hell of Asia”, worden de wegen in Cambodja genoemd. De weg na de grens is te vergelijken met een redelijke zandweg op de Veluwe. Dat wil zeggen voor de goede delen hiervan. De slechte stukken hebben diepe gaten en groffe keien. Een staat die we in Nederland niet meer kennen. Echter in deze hel is ook te fietsen. Ik heb de wind pal op de kop, dat is nog niet het ergste, ook de stof blijft dan lang boven de weg hangen. Men is druk bezig de weg te verbeteren, dus als je de hel wilt zien moet je snel zijn. Tot mijn verrassing zie ik na een uur asfalt. Weliswaar met grote gaten, maar daar is met een fiets eenvoudig omheen te komen.
Als ik het asfalt bereik begin ik spontaan te zingen. Het is ook vrolijk. Bijna alle kinderen willen aandacht, zwaaien, roepen hello hello. Na een glimlach en een groet van mijn kant krijg ik ontroerende blijde gezichten terug. Het landschap is buiten de dorpen niet veel soeps. Droge vlakten waar de rijst net weg is. De dorpen zijn aangenaam druk en er is veel te zien.
Over de eerste rivier die ik oversteek ligt een brug, waarvan, denk ik, ik vannacht nog zal dromen. Eenrichtingsverkeer, de brug is niet breder, zonder aan te geven wie eerste mag. Aan de zijkant zijn er balken verdwenen. Gaten zo groot, dat ik er met fiets en al in kan verdwijnen. Stop dan midden op de brug toch maar even als een auto me luid toeterend tegemoet komt. Na de brug passeert me rakelings een vracht-bromfiets. Zijn hoog opgepakte lading schuurt langs mijn elleboog. Ik blijf gelukkig in evenwicht. Als hij voorbij is, vraag ik me af hoe dit goed heeft kunnen gaan. Mijn fietstas steekt ook nog ongeveer 30 centimeter uit. Als die geraakt wordt, wordt je als fietser zo weggeduwd.
Als ik denk nog een uur te fietsen heb, zie ik een hotel met een bekende naam. Daarna nog een. De derde is het hotel wat ik gisteren uitgezocht heb. Nergens geen plaatsnaamborden, nergens geen richtingsborden. Hiervoor het restaurant is een kruising.Links asfalt, rechts zand. De rechtse is morgen mijn route.
 
Vrijdag 14 februari 2003

Sisophon – Battambang ( 70 km)

Als schepen deinend op de golven komen de auto’s mij tegemoet. Schimmen in grote wolken stof zijn tegenliggers (?) Waar ben ik? In de hel van Azië. Dacht ik dat ik er gisteren was! ( Ik hoop niet dat ik dat morgen weer moet schrijven) De weg van Sisophon naar Battambang is in één woord een verschrikking. Valt niet te beschrijven in Nederlandse maatstaven. Groffe keien, grote kuilen. Ik zal nooit weer klagen over de ‘slechte’ staat van sommige fietspaden in Nederland. Was gisteren ongeveer eenvijfde van de weg slecht. Vandaag was eenvijfde goed. Het laatste uur mooi asfalt.
Toch ook weer een grote uitdaging. En als je rustig rijdt wen je ook hier op den duur aan. De fiets houdt het prima. De fietstassen nu met extra ijzerdraad en extra spinnen vastgezet, blijven ook netjes aan de fiets hangen.
“Parlez vous francais” vraagt een vriendelijke man op een scooter naast me. Ik heb al mijn aandacht bij de weg nodig. Toch blijft hij stug volhouden. “Parlez vous francais?” “Un tres petit” Antwoord ik. Als ik vertel waar ik vandaan kom en naar toe ga is hij tevreden en rijdt verder. Cambodja was net als Vietnam vroeger Frans koloniaal gebied. De Franse uitspraak is beter te verstaan dan de Engelse. Ze spreken Engels, maar met een zwaar accent dat ze, denk ik, alleen zelf verstaan.
Toch vreemd om jingle bells uit het oerwoud te horen klinken. Een man uit zijn sarong een gsm te voorschijn zien halen. Bij ons normaal. Hier ook.
Gisteren geprobeerd euro’s te wisselen. Willen of kennen ze niet. Alleen Amerikaanse dollars of Thaise Baht kan ik naar Riel omwisselen. Ik begin met 50 dollar. Omdat naar men zegt de ‘eigen’ Riel het derde betaalmiddel, na de dollar (1) en de Baht (2) is. Onderweg bij de kleine eet- drinkstalletjes is de Riel ‘normaal’. 1500 Riel, ongeveer 70 cent, voor een blikje cola.
Het eten in Cambodja bevalt mij beter dan in Thailand. Veel meer keuze. Vooral ook voldoende niet te scherpe gerechten. Menu tot nu toe ook in het Engels.
Morgen met de boot naar Siem Reap. Vertrek 07:00 uur. Vijftien dollar enkele reis en dan nog eens 5 dollar extra voor de fiets.
 
Zaterdag 15 februari

Battambang – Siem Reap (15 km)

Wat een boottocht van ongeveer drie uur had moeten zijn, wordt er een van zeven uur. Volgens de Lonely Planet varen er na januari (begin droge seizoen) geen grote boten meer naar Siem Reap. Wij stappen dus met ongeveer 25 man en een boeddhistische monnik toch in een grote boot. En dat merken we, regelmatig zitten we vast en moeten de jongens die op het dak zitten het water in op de boot weer vlot te duwen.
Als we net in de boot zitten, gebaart de bestuurder naar achteren. De Amerikaan achter mij zit met zijn (losstaande) stoel op een stuurkabel. “And these suckers won the war” hoor ik hem brommen. Ik heb genoeg terug te zeggen, maar hou wijselijk mijn mond. De Amerikanen kunnen het nog steeds niet verkroppen dat ze van deze ‘domme’ Aziaten een oorlog verloren hebben.
Langs de rivier prachtige natuur en veel bedrijvigheid. Geen moment te vervelen. Toch als de zon hoger komt en de temperatuur stijgt beginnen velen te knikkebollen. Van een Fransman, die Engels spreekt, hoor ik dat ze gisteren de tocht in 2½ uur gedaan hebben. Met minder mensen in een kleine boot. Na vijf uur moeten we overstappen. We zijn bijna bij het grote meer. Na een korte pauze, zonder toilet, gaat het verder in een snellere boot. Twee Yamaha 85 (pk?) motoren voluit de rivier op. De lokale bevolking, ze wonen hier op of aan en water, haat deze boten. Met hun grote golfslag zorgen ze voor veel onrust en maken veel kapot. Alleen bij de wat grotere, drijvende, dorpen mindert de chauffeur vaart, de rest full speed. De mensen, die op het water leven met heel hun hebben en houden, en daar dus ook koken, kijken ons verstoord aan. Ik kan me er welk iets bij voorstellen als je potten en pannen elke dag door elkaar gegooid worden. Één bewoner gooit ons zelfs woedend een stuk hout na. Dit terwijl Cambodjanen (bijna) nooit hun (ware) gevoelens tonen. Je boosheid laten zien is een teken van zwakte.
Verder is de boottocht qua natuur prachtig. Niet te veel drinken, want er is geen toilet gelegenheid aan boord. Daarna nog 15 kilometer fietsen naar Siem Reap.
Ik ben nu in het Bayon hotel. Net buiten het centrum aan de rustige zijde van de rivier. Vanuit de riverside bar van het hotel zie ik de drukte van Siem Reap.
De zonsondergang bij Angkor Wat was even een mislukking. Tientallen toeristen, te veel op een kleine heuvel top. En de zon ging al vroegtijdig schuil achter de wolken.

Kinderen. Hoe ver is de stap van bedelen naar (kinder)prostitutie. Om tien ’s avonds word ik nog door meerdere bedelende kinderen voor een dollar aangesproken. Hoe kan/ wil een land de kinderprostitutie bedwingen, zonder de basis van deze ellende, armoede, weg te nemen?
 
Zondag 16 februari

Siem Reap

Eureca riep Archimedes. Wat moet de Fransman wel niet geroepen hebben toen hij in 1860 het vele vierkante kilometers grote tempelcomplex Angkor Wat midden in de jungle (her)ontdekte. Ik heb vandaag een kilometer of veertig op het tempelcomplex rondgefietst en enkele tempels bezocht. Goedkoop is het niet; 20 dollar voor één dag, 40 dollar voor drie dagen. Wat ik daar binnen allemaal ziet, is teveel voor mijn kleine koppie om dit te bevatten. Na vijf uur heb ik er genoeg van, de hitte, de tempels de toeristen. Dan nog een uur terugfietsen naar het hotel. Met de toeristen valt het eigenlijk wel mee op zo’n groot complex. Het is zondag dus er zijn ook veel lokalen. Ik besluit nog een dag te blijven. Geen probleem in het hotel. Vanmorgen om zeven uur was ik de enige aan het ontbijt. Ben ik ook de enige gast?
Op het tempelcomplex lopen overal kinderen ansichtkaarten en dergelijke te verkopen. Bij de eerste koop ik een setje. Daarna blijven anderen me regelmatig ook kaarten aanbieden. Tip, als je er een ziet die kaarten wil verkopen, vraag dan zelf of hij of zij kaarten van jouw wil kopen. Eerst is het stil. Je ziet ze denken; hier klopt iets niet. Dan een brede grijns. Je kunt dan redelijk met hun praten. De uitspraak van hun Engels is beter dan van degenen die het op school geleerd hebben. De verkoopsters beweren dat ze hun Engels niet op school maar van de toeristen geleerd hebben.
Aan een bromfiets-taxi-rijder vraag ik hoe oud hij is. Mijn leven begon in 1997, zo verteld hij, na het verdwijnen van de Rode Khmer. Daarvoor weet ik niet wat ik was. Nu ben ik Cambodjaan, studeer op een hotelschool en wil manager van een hotel worden.

De tempels van Angkor is de nationale trots van Cambodja. De tempels zijn gebouwd tussen de negende en de veertiende eeuw, tijdens het hoogtepunt van de Khmer dynastie. Het Khmer rijk, dat ook grote delen van Thailand, Laos en Vietnam tot zijn bezit kon rekenen. Zie hier de ‘gemeenschap’ tussen Thailand en Cambodja, eens waren ze samen deel van één rijk. En nu is er een strijd (?) over het eigendom van Angkor. Na lezen en praten met de lokale bevolking, begrijp ik dat wie aan Angkor komt, de Cambodjaan in zijn ziel treft. Het is de nationale trots en de grootste toeristische trekpleister voor Cambodja.
 
Maandag 17 februari 2003

Siem Reap

De mensen hier accepteren het leven zoals het komt. Vanmorgen aan het ontbijt in de riverside bar van het hotel, aan de overzijde van de rivier mensen die ook bezig waren met opstaan. Alleen deze hadden alleen een stuk karton waarop ze de nacht doorgebracht hadden. Ik, ik was blij dat de airconditioning het een beetje bij kon houden. Ook overal onderweg veel arme mensen, maar zo te zien, en welke ik spreek zijn ze niet ongelukkig.
De tempelverzadigingsgraad is bereikt. Vandaag de ‘grote’ ronde gedaan. Gisteren de kleine. Men heeft hier twee routes uitgezet, waarlangs alle tempels van het complex staan. Begin met de kleine ronde. Heb je daarna nog zin om meer te zien, de volgende dag de grote ronde. Het is met de fiets zeer goed te doen. Bij het bezoeken van een tempel, kun je de fiets bij de overal aanwezige drink- en eetstalletjes achterlaten. Bij Angkor Wat moet je hiervoor 500 Riel betalen. Bij de rest van de tempels vragen ze niets. Ook kun je een bromfietstaxi huren, de persoon blijft de gehele dag bij je, zes dollar voor de kleine en negen dollar voor de grote ronde. Natuurlijk wel pas aan het eind van de dag betalen!
In twee dagen heb meerdere zeer mooie tempels gezien. Degenen die echt geïnteresseerd zijn in deze oudheidkunde, hebben aan een week nog niet genoeg. De laatste tempel ben ik als een soort verplicht nummer doorgelopen. Het geheel is fantastisch, wat een architecten moet het eeuwen geleden al gegeven hebben, dat ze dergelijke (mystieke) grote gebouwen van los op elkaar gestapelde stenen konden bouwen. Los op elkaar is goed te zien. Vele delen zijn ingestort en of verboden te betreden. Veel is ook gestut. Als iets het waard is om gerestaureerd te worden, dan is dat volgens mij dit complex wel. Toch zie je niet veel restauratie werkzaamheden en zo te zien aan het aantal toeristen stroomt het geld, 20 dollar per persoon per dag, binnen. Terwijl arbeidskrachten in dit land nog goedkoop zijn. Ze zullen echter wel andere prioriteiten hebben hier.
In de kranten wordt geschreven dat Cambodja 47 miljoen dollar schadevergoeding aan Thailand en aan Thaise bedrijven moet betalen. Dit voor de vernielingen van Thaise eigendommen die tijdens de rellen van enige weken geleden zijn ontstaan. Men schrijft ook dat dit ten koste zal gaan van verbeteringen aan wegen en bruggen. Ik heb veel slechte wegen gezien er wordt ook veel aan de wegen gewerkt, maar ik heb nog niet één meter nieuw asfalt onder de fiets gehad.
Een politieman wilde mij vanmorgen zijn politiebadge voor 5 dollar verkopen. Ik vertrouwde het niet, dacht dat het nep was. Even later hoor ik van een gids dat ze toch echt zijn. De politiemensen verdienen zo weinig, dat ze proberen hun ID te verkopen om er iets bij te verdienen. Leuk souvenir. De volgende keer toch maar eens beter kijken.

Seks:
Seks, een hot item. Letterlijk en figuurlijk. Bij deze temperaturen en de mooie dames tesamen worden de lusten, voor sommigen, tot een hoogtepunt gedreven. Het is niet moeilijk seks te krijgen / te vinden. De taxichauffeur, het hotelpersoneel, op straat, alle bieden ze je, als alleen reizende man, met een veel betekende blik massage op je kamer aan. Al in het vliegtuig voelde ik me als ‘man alleen’ al ongemakkelijk. Er waren veel mannen die alleen onderweg naar Bangkok waren. Van de buitenkant te oordelen, niet om te fietsen, maar voor de seks, vul ik in. Voel me, als ook alleen reizende niet op mijn gemak, met dergelijke ‘vieze oude mannetjes’, vergeleken te worden. Met alle respect voor de mensen die hier de echte liefde gevonden hebben, hier kan iedereen een mooie jonge vrouw kopen en doen alsof het de grote liefde is. Het komt me, op z’n zachts gezegd, zeer onaangenaam over, dergelijke koppels te ‘moeten’ aanschouwen.
 
Dinsdag 18 februari 2003

Siem Reap – Kampong Thom (151 km)

Een goede zandweg is niet slecht. Een slechte zandweg wel. Beroert. Miserabel. Bijna de gehele 150 km is een slechte zandweg. Ze zijn wel bezig, maar toch. Slecht. Vanmorgen om half zeven begon ik in Siem Reap op een fantastisch mooie asfaltbaan. De rood opkomende zon tegemoet, onwetend van wat met nog te wachten staat. Binnen een uur verandert de vlakke asfalt weg in een brede stoffige miserabele zandweg. In het hotel hadden ze mij verteld dat het een goede weg was, ze komen waarschijnlijk niet verder dan tien kilometer buiten hun dorp. Toch, mag ik niet klagen, ik wist dar de wegen hier slecht waren, maar zoveel kilometers zo slecht aan een stuk had ik niet verwacht. Van de 150 kilometer zijn de eerste en de laatste 15 goed, de rest is beroerd tot zeer beroerd.
De vriendelijke hello’s van de kinderen houden me op de been. Toch klinkt ook veel hard gelach van ouderen, veelal vrouwen, als ik langskom. Als ik in het hotel in de spiegel kijk zie ik waarom. Mijn gehele gezicht, behalve mond en ogen, zijn zwart / rood van het stof. Tijdens het douchen blijft het rode stof enige minuten stromen.
Af en toe kan ik een blik verder het veld in werpen. Mooi gebied, mooie hemel af en toe een wolk. Toch heb ik grotendeels mijn ogen op de weg gericht. Ook tijdens de drinkstops is het lachen, als ik vertel dat ik op de fiets van Siem Reap kom. Uitlachen doen ze nog net niet, maar schaterlachen wel. Na negen uur op de fiets bereik ik het hotel dat ik uitgekozen heb. Tien minuten sta ik bij de receptie, niemand te zien. Af en toe roep ik hallo. Nog steeds niemand. Dan haal ik iemand van buiten, die weet op welke kamer de receptionist zijn dutje doet. Met een slaperige kop geeft hij mij een sleutel.
In het naastgelegen restaurant geniet ik van een heerlijk bier. Niet echt koud, maar dat is ook beter voor mijn maag. Belangstellend komt de kok aan mijn tafel zitten. Vraagt of ik een vrouw heb en of ik de Cambodjaanse vrouwen leuk vind. Als ik voor de zoveelste keer uitleg dat ik hier niet voor de vrouwen maar voor het fietsen ben, vertrouwd hij mij toe dat hij ook niet van vrouwen houdt. Eigenlijk had hij dat niet hoeven te vertellen, hij straalt het uit.Met het bestellen van een chicken noodle soup probeer ik onder zijn aandacht uit te komen. Hij blijft in de buurt staan toekijken.
Vandaag een eerste collega fietser gesproken. Een Duitser, is al negen maanden, vanuit Duitsland begonnen, onderweg in Azië en is nog lang niet van plan om naar huis te gaan. Jammer dat je zulke mensen meestal tegenkomt en niet (een tijdje) mee op kunt fietsen. Ik had graag met Matthias een pilsje gedronken. Na een half uurtje gaat een ieder weer zijn eigen weg. Matthias is compleet uitgerust met tent en kookgerij.
Onderweg tussen Siem Reap en Kampong Thom schijnt nog ergens een guesthouse te zijn. Bij een brug. Dat moet de brug met de draken als brugleuning geweest zijn. De brug heb ik gezien, het onderkomen niet. De moeite waard om uit te zoeken, als je niet de gehele 150 kilometer in één dag wilt fietsen. (Later hoor ik van twee Amerikanen dat dit volgens hun het plaatsje Stoung is)
’s Morgenvroeg langs de weg, met luidsprekers, veel boeddhistische monniken die bij een dorp aan het bidden zijn. Als de monnik mij ziet, staakt zijn gebed. Hij kijkt met open mond en zwaait, tegelijkertijd iets in de microfoon sprekend. Ik weet niet wat hij precies heeft gezegd. Ik hoop, “fietser ga met Boeddha”, maar wel weet ik zeker dat het niet bij het originele gebed hoorde.
 
Woensdag 19 februari

Kampong Thom – Kampong Cham (114 km)

Beaucoup d’accident et beaucoup de vouleur. Ik sta op een kruizing, links een zandweg, rechts asfalt naar Phnom Penh denk ik. Ik vraag, zo te zien een drogist. De zandweg is de weg die ik wilde rijden, de drogist wil me 30 kilometer laten omrijden. Veel ongelukken op de zandweg, oppassen dus. Bangkok heb ik gehad, wat kan erger zijn? Veel vouleur? Dat woord weet ik niet (meer). Dan wijs ik op mijn fiets. Oh die had hij nog niet gezien. Hij grijnst en trekt zijn schouders op. Ik ga de zandweg op. Achteraf een wijs advies, zeker met een auto, de 30 kilometer om te rijden.
Ik ga de zandweg op. Elke dag denk ik, slechter dan nu kan het toch niet worden. Toch vandaag het beroerdste stuk weg wat ik in Cambodja heb meegemaakt. Ik heb er zelf om gevraagd. De uitdaging is nu wel erg groot. Vijf uur lang over een weg, die zelfs een nummer (“2”) heeft, met veel grote gaten, grote en kleine stenen, ooit, denk ik door de Fransen aangelegd. Daarna is de aftakeling begonnen ( en nog niet beëindigd).
Na vijf uur kom ik op vlak asfalt, als ik daar over een hobbeltje rijd, voel ik pas hoeveel spierpijn ik in mijn polsen heb. Nummer 2, een ware aanslag op fysieke en mechanische onderdelen.
Onderweg schiet het me opeens te binnen; voleurs zijn dieven. Oei. Nou ja, veel ongelukken kan ook niet waar zijn. De eerste twee uur op deze weg zie ik één auto en ongeveer twintig bromfietsen. Op een kruising moet ik enige minuten wachten, voordat er een bromfietser voorbij komt die ik de weg kan vragen.
Een tweede fout die ik maak is, dat ik ervan uit ga dat ik ook hier genoeg te drinken kan kopen. Siroop aangelengd met kraanwater. Neen dus. Na twee uur wordt het drukker en kan ik ook weer goed water en cola kopen.
Daarvoor fiets ik over een redelijke weg door een rubberplantage. De bomen zijn net ‘in de bladeren’. Heerlijk koel en prachtig groen.
Maar later, de goede zandweg, ik weet het wordt eentonig, wordt weer een slechte zandweg.
Onderweg, waar ik water koop, liggen de kikkers wijdbeens in het vet te braden. Ik betaal, de voor mij, normale prijs, 1500 Riel. De vrouw probeert me snel een tweede fles te verkopen. Voor deze streek, toch te veel betaalt.
Het eerste accident (ongeluk) zie ik als ik weer op het mooie gladde asfalt fiets. Een personenauto is uit de bocht gevlogen. Tientallen mensen er omheen. Personenauto’s zijn op de weg mijn enige vijanden. Zodra deze iets op hun weg zien, dan, hand op de claxon en vol doorscheuren.
In de ondergaande zon komt er een jongeman naast me zitten. Biedt me aan, samen met hem, ongebrande, pinda’s te eten. Hij studeert voor leraar Engels en wil graag oefenen. Dat mag. Hij is nog niet getrouwd. Voor een arme bruid moet hij 500, voor een rijke 1000 dollar betalen. Als leraar verdient hij later 10.000 Riel (ongeveer 2½ euro) per maand. Hoe hij dan ooit een vrouw kan betalen vraag ik. Dat geld. Zo zegt hij, vraag ik van mijn vader. We zitten onder de langste brug van Cambodja, over de Mekong rivier. Gebouwd met geld uit Japan.
 
Donderdag 20 februari 2003

Kampong Cham – Phnom Penh ( 106 km)

Een goede zandweg. 66 kilometer goede zandweg langs de Mekong rivier. Mooie rustige weg. Middendoor het bedrijvige Cambodjaanse landleven. Hier zijn volgens mij nog niet veel buitenlandse fietsers geweest, bij velen zakt de mond open als ze me zien.
Ik heb driemaal nagevraagd. Ja, de weg langs de rivier is goed. Aan het eind van de weg, zo vertelt men mij, liggen kleine bootjes, die je over de rivier naar Phnom Penh brengen. Als ik daar ben, ligt daar een joekel van een brug, niet oud, maar zeker niet nieuw. Informatie van de lokale bevolking is zeer onbetrouwbaar.
Bij een drinkstalletje vraag ik ook een paar bananen. Ze aarzelen, ik wijs ze nogmaals aan. Pas later bemerk ik dat er wierookstaafjes naast de bananen staan. Ik eet het dankoffer voor de goden!?
Na 66 kilometer bereik ik een zeer drukke asfalt weg. Anders ben ik blij met zo’n gladde weg. Vandaag niet. Deze toegangsweg naar Phnom Penh is stervensdruk. Na 40 kilometer bereik ik Phnom Penh. Druk? Arrogant als ik ben; als je in Bangkok gefietst heb, wat is dan verder nog druk?
Ik heb een redelijk hotel op de plaats waar de Mekong en Tonle Sap rivier samenkomen. Met een prachtig uitzicht op het geheel. Dit alles voor 20 dollar.
 
Vrijdag 21 februari 2003

 Phnom Penh

Vanmorgen, Choeung Ek, The Killing Fields bezocht. Achtduizend schedels zijn hier in een monument tentoongesteld. De glasdeur staat open, dus als je wilt kun je de schedels aanraken. Ik had gedacht dat dit meer indruk op mij zou maken, maar ik was er vrij koel onder. Misschien heb ik te veel van dergelijke ellende op TV gezien. Toch, sommige graven zijn nog open en kledingstukken en botten liggen her en der verspreid. Tussen 1975 en 1978 werden ongeveer 17000 mannen, vrouwen, kinderen en baby's hier doodgemarteld. Dood geslagen om kogels te sparen. Dit alles onder het bewind van Pol Pot en zijn Rode Khmer. Er staat geschreven, dat wat hier gebeurt is, wreder is dan wat Hitler en zijn fascisten gedaan hebben;

We cannot fuelly describe, ....
The killing method was so cruel......
They have the human form but their hearts are demon’s hearts.

Ook al heeft het minder indruk op me gemaakt, toch voel ik niet de behoefte gevangenis S21 te bezoeken. Hier werden de 17000 eerst ondervraagd en gemarteld. Foto’s van voor en na de marteling zijn er volop te zien. Net als de Nazi’s hield ook de Rode Khmer een nauwgezette boekhouding bij wie de gevangenis in- en uitgevoerd werd.

Comfortabel laat ik me met een taxi er naar toe brengen. Phnom Penh is een razend drukke stad. Het is aangenaam het nu eens rustig te kunnen bekijken, zonder op het drukke verkeer te hoeven letten. De taxichauffeur vertelt dat het wegens het conflict met Thailand erg rustig qua toerisme in Phnom Penh is.
Behalve in een uithoek van van het Angkor Wat tempelcomplex, is er tot nu toe overal veel lawaai in Cambodja. Ook in de binnenlanden over het algemeen veel bromfietsverkeer. ’s Nachts het lawaai van de airconditioning of ventilator, zonder is het bijna niet uit te houden. Als het kan kies ik voor een ventilator. De airconditioning is vaak veel te koud. Ik loop al twee dagen met een snotterende neus en verstopt voorhoofd rond
Ik was van plan hier twee dagen te blijven, maar één is genoeg. Morgen vertrek ik richting de kust, de Golf van Thailand. Ik hoop dat het daar wat rustiger is. Ik wil daar enkele dagen aan de kust blijven. Daarna naar het noorden langs de kust weer terug naar Bangkok.

Straatleven:
In de straten krioelt het van de verkopers. Veel wordt je aangeboden. Als man alleen ook regelmatig vrouwen. De vrouwen zelf bieden zich niet aan, het zijn altijd tussenpersonen. Opdringerig zijn ze (nog) niet. Één keer nee, met een glimlach is genoeg. Een jongetje dat een Thaise krant (in het Engels) probeert te verkopen en die ik al vijf maal neen heb gezegd, blijft me ook de zesde maal vriendelijk toegrijnzen. De zevende maal geef ik hem 1000 Riel. (25 cent). Zonder een krant te kopen. ’s Middags kom ik hem weer tegen. Breed grijnzend geeft hij mij de hand. Vijf kranten per dag verkoopt hij. Als hij er een verkocht heeft blijft hij in de buurt staan wachten, om te zien of hij later de gelezen krant weer kan meenemen, om hem nogmaals te verkopen. Hij spreekt redelijke Engels. Zelfs hij, de kleine krantenjongen zegt: “Thailand no good, Angkor Cambodia No Thailand. Per vijf meter straat word je transport aangeboden, meestal bromfietstaxi’s. Bedelaarsters met zeer kleine kinderen. Volgens mij hebben ze de kinderen geleerd om te huilen als er een toerist langskomt. Onderweg zie of hoor ik nooit huilende kinderen.
Jammer dat het zo slecht voor je maag kan zijn; er zijn zoveel lekker uitziende etenswaren langs de straatkant te koop. Mocht je dit eten goed kunnen verdragen, dat kun je hier, inclusief overnachtingen, voor een bedrag van 4 à 5 euro per dag goed rondkomen. Het leven speelt zich hier hoofdzakelijk op straat af.
 
Zaterdag 22 februari

 Phnom Penh – Takeo (80 km)

Op een enkele kilometer na, de gehele rit een goede asfalt weg. Goede? De Nederlandse kwalificatie zou nog steeds “ zeer slecht wegdek” zijn, maar voor Cambodjaanse, en nu ook voor mijn, begrippen, goede weg. Als ik vanmorgen om zes uur, nog in het donker, door Phnom Penh rijd, verbaas ik me over de vele honderden mensen die aan het sporten zijn. Joggen, Tai Chi ed. Het is dan ook een aangename temperatuur in de ochtendkoelte. Toch nog 22 graden. Na een uur ben ik uit het zeer drukke Phnom Penh. De stad uitrijdend kom ik langs de aangevallen, en nog steeds verlaten, Thaise ambassade. De ramen zijn ingegooid en sommige delen van de muren zwart geblakerd. Omdat in Phnom Penh de ontbijtlokalen nog dicht zijn, eet ik onderweg mijn stokbrood, nog een overblijfsel uit de Franse tijd, langs de kant van de weg.
Takeo, een echt provincie (hoofd)stadje. Een soort verplichte stop, voor een fietser. Tachtig kilometer van Phnom Penh en negentig kilometer van de kust. Te veel kilometers, in deze hitte, voor één dag. Toch een heel leuk guesthouse gevonden, voor 5 dollar met eigen douche, toilet, airconditioning, ventilator en TV. En een fantastisch balkon, uitkijkend over een groot meer met waterlelies.
 
Zondag 23 februari

 Takeo – Kampot (88 km)

Lady make you happy tonight sir ? Neen dank u, ik ben hier niet voor de dames, maar om te fietsen. Bijna in elk hotel wordt me deze vraag gesteld. Schijnt hier toch een gewoonte te zijn, als je als man alleen onderweg bent.
Route National nummer 3 is niet slecht. Behalve meerdere grote gaten is het wegdek in orde, ik kan lekker doorfietsen. Het landschap is nu wat gevarieerder, eerst in de verte, later ook langzaam klimmend, heuvels. Kleine meertjes met fantastisch mooie lotusbloemen en waterlelies.
Het is hier, in dit hotel, duidelijk meer toeristisch. Acht procent commissie voor traveler cheques. Terwijl 1 à 2 procent normaal is. Ook voor de vriendelijkheid, die voor mij, een Cambodjaan eigen is, is zakelijkheid gekomen.
Vanavond een Amsterdamse gesproken. Ze verblijft met een (tijdelijke) Canadese reiskompaan in het zelfde hotel. Volgende week gaat ze in der uppie naar Vietnam. Heerlijk is het, weer even Nederlands te praten.
 
Maandag 24 februari

Kampot

Regen. De eerste keer in drie weken dat ik regen zie in Cambodja. Vannacht heeft het geregend. De gaten in de weg zijn tot de rand toe gevuld met water. Moeilijk te zien hoe diep ze zijn, er omheen dus.
Behalve de hoofdwegen in Kampot is er nog één weg verhard. De weg naar het strandverblijf van koning Sihanouk aan het Kep strand. Om gezondheidsredenen en om de strijd met de Rode Khmer heeft hij er nooit gewoond. Kep Sur Mer had het moeten worden, een mondaine badplaats. Nu een spookstad volgens de boeken. Verlaten villa’s, vervallen hotelcomplexen. Toch wonen er verdacht veel mensen in de deze ‘spookstad’. Ook is men bezig de villa’s weer te herbouwen. Het zandstrand stelt niet veel voor. Maar door de mooie fietstocht heen en terug, is Kep zeker een bezoekje waard.
Zo-even fotograaf gespeeld voor een groepje boeddhistische monniken. Mooie foto’s, oranje gewaden tegen een spierwitte achtergrond. De achtergrond is het beeld, aan het strand van Kep, van de zeemeermin, met de fantastische borsten. Een monnik schrijft het adres van het klooster op, hij wil graag te foto’s hebben. Ik hoop dat ze deze zullen ontvangen.
Het monnik zijn moet men niet al te serieus nemen. Ik bedoel hiermee de jonge monniken, (zeker) niet het boeddhisme. Na hun schooltijd worden de jongens geacht enige tijd monnik te zijn. Vroeger was dit drie maanden, tegenwoordig is een week al voldoende. In Thailand zijn sommige banen, ondanks goede cijfers en de juiste diploma’s, zonder het monnikendom op je CV onbereikbaar. In de Lonely Planet lees ik dat zelfs jonge criminelen door ‘even’ monnik te zijn weer een blanco strafregister krijgen.
Er zijn meerder toeristen die dezelfde route volgen. De twee Amerikanen, rugzak reizigers, tref ik nu voor de derde maal aan het Kep strand.
Ik heb een luxe probleem, meer dagen, dan te fietsen kilometers. Er zijn nog enkele plaatsen waar ik meer dan één nacht wil blijven, maar dan nog heb ik ‘te veel’ dagen. Weet nog niet hoe ik dit ga invullen.
 
Dinsdag 25 februari

Kampot

Van het zweet glibberen mijn voeten bijna de sandalen uit. Het stuur is moeilijk vast te houden met bezwete handen. Mijn T-shirt hangt als een natte lap om mijn lijf. Ik beklim Bokor Hill, een bergje van 1080 meter hoog. Echter wie over Bokor Hill spreekt, spreekt over de zeer slechte weg er naar toe. Vijf uur heen, half uur op de top, drie en half uur terug. 85 kilometer van Kampot.
De natuur is prachtig. Grote metershoge varens, die proberen het weggetje weer op de natuur terug te winnen. Halverwege kom ik in de wolken, het miezert een beetje. Het is tenslotte een regenwoud. Door de inspanning vergeet ik soms om me heen te kijken. Prachtige vlinders, vogels en planten. Toch wel spannend, zo alleen in het oerwoud, in de nevel, met al die vreemde, maar mooie geluiden. In de dikke mist is alles stil, nog spannender.
Als ik enkele uren gefietst heb, en nog niemand gezien heb, wil ik toch wel graag weten of ik nog op de juiste weg zit. Gelukkig komt me na vier uur een auto achterop. Bokor Hill, neen daar hebben ze nog nooit van gehoord. Ze gaan naar de tempel op de top van de heuvel. Bij de volgende splitsing rechts naar de waterval en links naar de heuveltop. Dan weet ik dat ik goed zit, ik had die splitsing echter al veel eerder verwacht. Volg ons maar, zegt de man en vervolgens spuit hij grijzend weg. Als ik later op de top aan kom, wordt ik toch wel door deze meneer uitgenodigd aan zijn picknick deel te nemen. Ik bedank beleefd.
Ik ga verder naar het spookhotel, casino. Dit is echt spookachtig, flarden mist, wolken, komen over de top, langs het verlaten casino gewaaid. Bij het hotel ontmoet ik drie Zwitsers. Ze hebben zich met een auto naar boven laten brengen. Ze delen hun bananen en sinaasappels met mij. Heel vriendelijk. De vrouw gaat terug, de twee jongens gaan nog verder, Laos, Maleisië en Thailand.
Op de top is een klein winkeltje. Je kunt er bij de parkwachters ook overnachten. Breng genoeg eten en drinken mee voor onderweg. Het winkeltje is zeer klein en is waarschijnlijk niet altijd geopend.
De weg naar beneden lijkt altijd gemakkelijker. Echter deze keer niet. Door de miserabele toestand is het zeer gevaarlijk te hard naar beneden te gaan. Weer rijd ik door grote mistwolken. Halverwege doen mijn schouders en polsen pijn van het schudden. Door de zeer grove stenen ga ik een paar keer bijna onderuit. Kan me gelukkig nog net op de been houden. Onderweg merk ik dat mijn lizard sandaal, met levenslange garantie, gescheurd is en nog aan een laatste draadje hangt.
Bij het hotel geef ik de Hotelboy twee dollar. Binnen tien minuten is hij weer terug met een gerepareerde sandaal. Ik ben benieuwd hoe lang deze reparatie stand houd.
 
Woensdag 26 februari

Kampot - Sihanoukville (112 km)

Als ik de zoveelste smalle krakkemikkige brug over ben, grijnst mij opeens een spiksplinter nieuwe, acht meter brede asfalt baan toe. Verder tot Sihanoukville, behalve een klein stukje hard zand, waar de weg nog niet klaar is, een prachtige gladde autoweg. Hier in het zuiden komt eerst de weg, dan pas (hoop ik) worden de bruggen vernieuwd. In het noorden is het precies andersom, daar liggen in de verschrikkelijkste zandwegen, prachtig nieuwe bruggen.
De oude bruggen zijn levensgevaarlijk, gaten waar mens en fiets in verdwijnen kan. Spleten waar je met je banden in kunt komen vastzitten. Stukken ijzer die recht opstaan. Elke brug passeer ik dus zeer omzichtig.
Op het stukje hagelwitte zandweg, je zou er sneeuwblind kunnen worden, komen twee jongetjes naast mij fietsen. Ze willen graag hun Engels in de praktijk brengen. Oké. We babbelen een beetje. Dan is hij bij zijn huis en nodigt hij mij uit binnen te komen. De schoenen uit en de tweekamerige woning in. Zijn mooie zuster zit achter de naaimachine. Als hij zijn totale engelse woordenschat op mij heeft losgelaten, wordt het stil. Hij biedt mij water aan. Kraanwater !? Uit beleefdheid neem ik een klein slokje. Dan vraagt hij of ik cola wil, ook uit beleefdheid, het is denk ik te duur voor hen, sla ik dit af. Thee, zeg ik, tea please. Shit, komt even later de tante met ijsthee. Het is wel thee en het ijs is volgens de boeken, als erfenis uit de Franse tijd, steriel bereid. Drink de thee toch maar snel op, voordat het ijs gesmolten is. Hoop dat alles er weer op een gezonde manier uitkomt. Daarna maak ik enkele foto's van de familie. Oom, tante, grootvader, grootmoeder, neven en nichten alle zijn inmiddels even een kijkje komen nemen. Met de digitale kamera laat ik de zusters hun eigen foto zien. Grote hilariteit. Ook hier laat ik adres opschrijven, beloof de foto's op te sturen. Vraag me af of ze aankomen. Naam en plaats, huisnummer hebben ze niet.
Onvrijwillig maak ik een rondje langs alle stranden van Sihanoukville. Toch ergens verkeerd gereden. Dit ondanks het feit dat ik voor het eerste een bord “ Welcome to Sihanoukville” aan het begin van de stad zie. Ook onderweg voor de eerste keer in duizend kilometer Cambodja bordjes met daarop de plaatsnamen van de kleine dorpjes. Altijd is het raden waar je onderweg bent. In een dorp volg ik meestal het asfalt of het meeste verkeer. Bijna nergens staan richtings- of naamborden. Ik rij vaak op het gevoel en de zon en hoop maar dat ik in de goede plaats terecht kom. Zo moeilijk is het eigenlijk ook niet, omdat er niet zoveel wegen zijn. Desalniettemin kom je er dan ook heel laat achter als je wel fout zit.
Schrijnend verschil tussen rijkdom en armoede. Hier aan het strand. Zo even verlaten twee toeristen, naast mij, hun stoelen. Hun vuilnis netjes in een plastic tasje achterlatend. Tot tweemaal toe hebben kinderen met een blij gezicht er iets van hun gading in gevonden. Ook de restjes van mijn chicken, sweet en sour met rijst, wordt nu nogmaals secuur door drie groezelige kinderen aan mijn tafel, nagekloven. Breedgrijnzend smullen ze nog zeker tien minuten. Ik dacht toch dat ik alles gegeten had.
Daarbij doen de 'strandtenthouders' ook niet moeilijk. Je kunt ook aan hun tafel vers gegrilde inktvis of ander zaken, van langstrekkende verkoopsters nuttigen. Ook over statiegeld op blikjes hoef je je hier geen zorgen te maken. Om de paar minuten komt er jongetjes langs die op het (lege) blikje wijzen. Is het leeg, dan wordt het gretig in ontvangst genomen.
 
Donderdag 27 februari 2003

 Sihanoukville

In de derde stad van Cambodja, Sihanoukville, vraag ik in een groot “Tourism Office informatie over Sre Ambel, een dorpje 100 kilometer verderop. Nee, daar weet ik niets van, daar was ik nog nooit. Een aantal dames die zitten te babbelen aan een pingpongtafel weten ook niets meer te vertellen over Sre ambel. Nog een dame komt erbij; ze heeft een vriend die in de plaats woont en enkele kilometers verderop in een hotel werkt.
Vaak wordt er in reisboeken geschreven, de lokale bevolking om informatie te vragen. Dit kan echter in Azië gevaarlijk zijn; als men het niet weet, zegt men heel gauw ja, of wijst zo maar ergens heen. Dit om teleurstelling bij de vrager te voorkomen. Ik vraag meestal meerdere personen. De meeste dorpelingen komen nooit of bijna nooit uit hun dorp. En weten dus buiten hun dorp niet veel over de omgeving te vertellen. Zelfs op het VVV kantoor niet.
Ondanks een bloeiende seksindustrie, heerst er aan het strand, bij de lokale bevolking nog een groot schaamtegevoel. De jonge dames en vrouwen, soms ook nog de mannen, baden in vol ornaat. Dat wil zeggen, dat ze volledig gekleed de zee in duiken. Vaak in een (lange) spijkerbroek.
 
Vrijdag 28 februari 2003

Sihanoukville

Teleurstelling. Nog twee dagen fietsen had ik gepland. De laatste twee dagen in Cambodja. Daarna weer Thailand. Volgens mijn aantekeningen één dag naar Sre Ambel (100 km) en daarna nog een dag, 140 km naar de grens. Daar ik in de Lonely Planet niets over accommodatie in Sre Ambel kan vinden, vraag ik enkele mensen. De meeste gevraagden weten alleen dat het bestaat. Ik fiets naar het guesthouse waar volgens de dame van het het Tourism Office een man uit Sre Ambel werkt. De ober en nog iemand, die zegt dat hij in het dorp woont, houden me eerst een tijdje voor de gek. Ze vertellen dat alle hotels daar hoerenhuizen zijn. Daarna vraag ik het aan de receptie. Neen er zijn geen overnachtingsmogelijkheden en er zijn ook geen restaurants. Hij heeft gisteravond, om deze redenen, nog een toerist daar weggehaald. Moet ik dit geloven? Of wil hij me een bootticket naar de grens verkopen?
Ik weet niet of ik blij of verdrietig moet zijn. De laatste 240 kilometer (in Cambodja) zie ik toch al enkele dagen met angst en beven tegemoet. Tegelijkertijd is er de uitdaging dit ‘gevecht’ aan te gaan. De 240 kilometer gaan volgens een reisverslag, gelezen op het Internet, over een harde zandweg, pittige heuvels en vier pontveren. Net te doen in één dag. Dan vraag ik nogmaals in mijn eigen hotel. Tot mijn verrassing hoor ik dat de baas in Sre Ambel woont en om 5 uur terug is. Ik zal eerst met hem praten, en dan besluiten; fietsen of varen.
Seeing Hands (handen die kunnen zien). Massage door en voor blinden. In Thailand en Cambodja zijn er honderden massage huizen. Achter de meeste gaat een bordeel schuil. Dat is niet wat ik zoek. Toch wil ik hier ook wel eens massage proberen. Dus een massage door een blinde dame. Eerst wordt je verzocht een soort pyjama aan te trekken. Dan vraagt ze sterke of normale massage? Het kleine postuur en de kleine handen ziende, zeg ik met mijn grote bek, Sterke. Tip; onderschat nooit de kracht van de kleine Aziatische dames. Het wordt een zeer, zeer stevige maar toch ook aangename massage. Een tijdlang zit ze wijdbeens boven mijn kont en bewerkt met haar ellebogen mijn rug. Na enkele minuten bemerk ik dat er ook aangename muziek op de achtergrond speelt. Als ik me op de muziek concentreer, lukt het om me heerlijk te ontspannen. Behalve die keren dat ze, bijvoorbeeld mijn(fiets)kuiten te pakken neemt. Na elke stevige massage druk is er weer die heerlijke ontspanning. Het uur is snel voorbij. Ik bedank haar hartelijk en betaal. Drie dollar. De winsten van deze onderneming worden weer gebruikt om andere Seeing Hands masseurs op te leiden. Als ik weg wil fietsen kijk ik alles tweemaal na. Ik voel me een stuk lichter, net alsof ik iets vergeten ben. Toch heb ik echt alles bij me.
Shit. Worden me 240 kilometer fietsen door de neus geboord. De baas zegt dat het eerste deel wel gaat. Op het tweede deel, zo verteld hij, zijn enkele gevaarlijke dorpen. Gevaarlijk? Het is zo; het gebied is eerst in het laatste half jaar ontsloten. Ik heb nog steeds een dubbel gevoel van binnen. Ik besluit om met de boot de te gaan. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Toch moet je je geluk ook niet tot op het randje uitputten. Als me na dit verhaal een busticket aangeboden wordt, begin ik weet te twijfelen. Geen gezeur meer Wim, ik ga met de boot naar de grens.
 
Zaterdag 1 maart 2003

Sihanoukville – Koh Kong (boot / fiets)

Drie en half uur in de boot. Als ik vanuit de zee de heuvels zie, ben ik toch wel een beetje blij dat ik niet fiets. Op de boot zijn ook twee fietsende Nederlandse dames. Ik vertel hun dat ik liever had willen fietsen. Maar me dat afgeraden is, omdat het te gevaarlijk zou zijn. Je hebt maar één leven zegt ze. En, wist je dat er begin februari twee fietsers in Laos doodgeschoten zijn? Neen, dat wist ik niet. De dames hadden dezelfde weg ook gefietst. De schrik zat er wel een beetje in. Toch hadden de doodgeschoten fietsers de ‘pech’ dat ze in een overval op een bus terecht kwamen. Het was dus geen aanval op de fietsers.
Als we uit de boot stappen staan er weer tientallen bromfietstaxi’s te schreeuwen. We moeten snel zijn, roepen ze, het is vier uur en de grens sluit om vijf uur. Alle rugzaktoeristen maken dan ook gretig gebruik van hun diensten. De fietsers blijven aan deze kant van de grens. Het is nog 100 kilometer fietsen in Thailand tot de eerste accommodaties. Het is leuk te zien, hoe fietsers elkaar helpen, zonder iets daar over af te spreken. De ene dame klimt op het dak van de boot en pakt de fietstassen. Ik pak deze op de wal aan. De tweede dame houdt de bagage in de drukte op de kade in de gaten. Dan voorzichtig de fietsen, het is toch bijna twee meter tussen kademuur en het dak van de boot.
De dames zijn al drie maanden onderweg en willen het nog een jaar uithouden. Dit afhankelijk van hun budget. Volgend jaar omstreeks deze tijd hopen ze weer in Nederland terug te komen. Als het geld op is, gaan ze eerder terug.
Ik ben geen lowbudget reiziger en fiets nog enkele kilometers door naar een chique hotel, aan het strand, vlakbij de grens. Het is wel het duurste hotel tot nu toe. Ik neem een strandbungalow voor 1600 Baht (ong 40 Euro). Heerlijk schoon en comfortabel. Ik overweeg om hier twee nachten te blijven. Misschien kan ik het geld terugverdienen in het Casino hier. In Thailand zijn casino’s officieel verboden, in Cambodja niet. Het is zaterdag, dus misschien vanavond maar eens even kijken.
De snot druipt uit mijn neus. Ik had toch echt gezegd. “niet heet”. Ik haat deze, voor mij, overdadige hete pepers en chili’s. Het neemt de smaak van alles weg. Eet het toch op, schuif de rode chili’s en de zwarte peper zoveel mogelijk terzijde. En morgenvroeg nogmaals heet.
Het casino is om negen uur nog steeds donker.
 
Zondag 2 maart 2003

Koh Kong ( Cambodja ) - Trat (Thailand) 93 km

Als enkele bromfietsers, mij aan dezelfde kant van de weg tegenkomend, mij vreemd aankijken, word ik pas echt wakker. Ik ben in Thailand, LINKS rijden. Ook hier is de grens alleen geopend voor voetgangers en (toeristen) fietsers. De rugzaktoeristen worden aan de een kant door (bromfiets) taxi's afgezet, en aan de andere kant door de buurland taxi's weer opgepikt. In 15 minuten ben ik de grens over. Uitchecken in Cambodja en inchecken in Thailand. "waar kom je vandaan?" "waar ga je naar toe?" bromt een norse douane beambte . Bij de eerste politie versperring klinkt echter vriendelijk " Welcome to Thailand".
Aan beide zijden van de grens zijn meerdere militaire/politie controle posten. Ik fiets ze altijd vriendelijk lachend en groetend voorbij. Tot nu toe geen enkel probleem.
De hotelkamer in Trat kost een vijfde deel van gisteren, 8 euro. Ik ben er, na gedoucht te hebben, snel weer weg. Alles is er, maar zo mistroostig. De fiets rechtop in de lift naar de kamer. Als de hotelbediende daar NIET vreemd van opkijkt, dan is de noodzaak, de fiets op te kamer te houden, zeker aanwezig.
Het eerste hotel met een hurktoilet. Volgens de boeken, het beste van de stad.

Het eerste deel van de weg is best pittig. Korte maar steile heuveltjes volgen elkaar snel op. Thailand is hier maar enkele kilometers breed. Links uitzicht op zee, de Golf van Thailand, met veel garnalen kwekerijen. Rechts de heuvels met het oerwoud, prachtig fietsen. In tegenstelling tot wat de boeken zeggen, zijn er aan de Thaise kant van de grens ook meerdere accommodaties. Hat Lak Hut bij kilometerpaal 82. Bij kilometerpaal 74 een Inn. Daarna nog meerdere. Tevens is het aan deze grensovergang ook mogelijk een Cambodjaans visa te kopen.
 
Maandag 3 maart 2003

Trat – Ko Chang (fiets-boot-fiets)

Om iets na zeven uur ben ik bij de aanlegplaats voor de boot naar het eiland Ko Chang. Als ik een kaartje voor de boot van acht uur gekocht heb, hoor ik dat deze niet vaart. Accident, zegt de schipper met een brede grijns. Ongeluk? Ze willen gewoonweg niet varen voor twee Thaise dames en een Hollandse fietser. De volgende, om negen uur, heeft enkele mensen meer aan boord.
De vrouw die de kaartjes verkocht, had het al gezegd; heuvels erg steil. Steil? Dit gaat bijna rechtop. Ik moet op mijn tenen lopen. Het voorwiel van de fiets wil omhoog. Met zeer veel moeite krijg ik de fiets de heuvel opgeduwd. Zelfs de heuvel af is inspannend, beide remmen stijf in geknepen, langzaam eraf.
Ik ben nu op Ko Chang een nationaal park; naar men zegt het best bewaarde regenwoud van Zuid Azië. Veel toeristen, mooie stranden. Strandbungalows in drie rijen. De eerste rij, aan het strand kost 1500 Baht (ongeveer 37 Euro) tweede en derde rij 700 Baht. De eerste rij is vol, krijg er een op de tweede rij, maar kan mooi tussen twee huisjes van de eerste rij doorkijken. De natuur is hier prachtig, jammer dat ik geen goede wandelschoenen bij me heb.
Weer veel Europese mannen met Thaise vrouwen hier. Gisteravond in het restaurant zat weer zo’n oude viespeuk als een Pascha tussen twee Thaise schonen. Het zou grootvader met kleinkinderen geweest kunnen zijn, alleen gedroegen ze zich niet zo.
Bom. In de krant lees ik dat er zaterdag, enkele kilometers verderop aan dit strand, een bom ontploft is op een beach resort. Het zou gaan om een lokaal meningsverschil. Van onrust is niets te merken, en de toeristen komen nog steeds naar dit eiland.
Met hun lieve (bijna) onderdanige toon nemen de dames de bestelling op. Dan, tot mijn schrik, wordt de bestelling met een voor mij, krijsende stem, aan de keuken doorgegeven. Deze verschillen doen mij elke keer weer schrikken. Toch is de krijsende toon volgens mij hun ‘normale’ stem.
 
Dinsdag 4 maart 2003

 Ko Chang

Als paddestoelen. Als paddestoelen schieten de bungalows uit de grond. Elke centimeter strand aan de west kust van het eiland wordt benut. Dit is een echte toeristen streek. Is buiten de toeristen gebieden ’s morgenvroeg om zes uur alles al in rep en roer. Hier loopt om zeven uur een enkeling over straat.
Fiets een eindje langs de kust. Totdat ik weer zo’n steile heuvel tegenkom. Nu ook zonder bagage kom met moeite boven. Als ik direct daarna weer zo’n steile zie, keer ik om. Ik ga ergens aan het strand ontbijten. De eerste vijftien minuten blijf ik zweten. Het houdt niet op. Het is net alsof de motor vol gas draait, maar niet in de versnelling staat. Het is lekker rustig hier, de meeste mensen slapen nog. Toen ik gisteren rond twaalven aankwam. Waren de laatsten nog aan het ontbijten en de eersten al aan de lunch.
Het resort van de explosie is niet enkele kilometers verderop. Het zijn de buren van mijn eigen onderkomen hier. Het is vast geen grote bom geweest. De muren staan alle nog, alleen ramen en kozijnen zijn verdwenen.
’s Avonds zo na het eten en voor het slapen gaan drink ik graag een whisky. De Black Label kost 25 Euro, dat is me toch een beetje te gortig. Dus bestel ik een lokale whisky. Oei, even vergeten. Het gaat hier niet per glas, maar per kleine of grote fles. Zit ik met 1/3 liter whisky voor me. Nou ja, de sterrenhemel is prachtig, het strand rustig, de muziek goed.
 
Woensdag 5 maart 2003

Ko Chang

Gevaarlijk. Is het gevaarlijk om (alleen) in een relatief onbekend land te fietsen? Meerdere malen wordt me op het hart gedrukt, wees voorzichtig, let op, doe geen gekke dingen in dat land. Laat ik u vertellen van het grootste gevaar. De badkamer en of badkuipen zijn levensgevaarlijk. Vanavond stapte ik weer met voorbedachten rade ( niet uit te glijden) de badkamer in. Val ik daar bijna met mijn kop op de drempel. Kan me nog net vastgrijpen aan de wastafel, die gelukkig vast aan de wand blijft zitten. Dit is al de derde keer in deze vakantie, dat ik bijna neerstort in een buitenlandse badkamer. In dat licht gezien zijn het verkeer en de ‘vreemde’ bevolking tot nu toe lieverdjes gebleken.
Het bij het bungalow park behorende restaurant schijnt goed te zijn. Ook nu weer zijn alle ongeveer 50 tafeltjes die op het brede strand zijn uitgestald, bezet. Ook nu weer bestel ik kip aan het spit. Heerlijk gekruid.
 
Donderdag 6 maart 2003

Ko Chang – Chanthaburi (83 km)

Gevecht met de slang. Gevecht met de waterslang. Hoe vertel ik dit nu netjes? In warme landen heb je naast het toilet vaak, in plaats van toiletpapier een kleine douche om je achterste schoon te maken. Ik maak hier altijd dankbaar gebruik van. Heerlijk fris. In Thailand is de druk op deze toiletdouches tamelijk hoog, dus de eerste keer was het even schrikken. Vannacht om half vijf, na mijn eerste stoelgang, deze douche ter hand genomen. Alles gaat goed, totdat ik klaar ben. De toiletdouche blijft onder hoge druk door spuiten. De knop zit vast. Ik draaien en drukken, niets helpt, dan vliegt de gehele kop van de slang. als ik tegen de druk in deze er weer op wil draaien spuit het wateralle kanten op. Blijf zo enkele minuten aan de gang. Inmiddels ben ik zelf en is alles om me heen zeiknat. Ik geef het op, stop de slang zo diep mogelijk in de toiletpot en laat hem daar doorrazen. Buiten is alles nog donker. Droog me af en ga nog even op bed liggen. Slaap heb ik niet meer. Gedoucht heb ik al. Dus ook maar verder aankleden. Kwart voor zes, licht in het restaurant. Roep hulp in, deze komt snel, loopt weer terug. Even later stopt het water spuiten, de slang is overwonnen.
Zes uur, ik reken af en ga daarna langs de kant van de weg op een taxi staan wachten. Die steile heuvel wil ik niet nog een keer met de fiets over. Om half zeven, een taxi. Deze brengt ons naar de boot, gaat dus toch wel om zeven uur. Echter van een ander pier, dan waar ik aangekomen ben. Zonder taxi had ik dus waarschijnlijk de juiste pier voorbij gefietst. Na een rustige vaart van ongeveer een uur stap ik om acht uur weer op de fiets.
Ik ga niet terug naar Trat, maar ga binnendoor (weg 3156). Binnendoor is leuk, maar alle bewegwijzering staat alleen in het Thai geschreven. Geen woord in het Engels. Gelukkig zijn hier in Thailand de binnenwegen ook prima en de meeste hebben een nummer. Ook op mijn kaart zie ik dat nummer, dus ik zit oké. Door het oerwoud, rubberplantages en ananasakkers. Ik fiets op een mooi rustige weg door een licht glooiend landschap.
Na 35 kilometer bereik ik Highway nummer 3. Deze zal mij, Deo volente, ( of als boedha het wil) naar het hartje van Bangkok brengen. De 3 is een echte Highway. Tweemaal twee gescheiden rijbanen en brede vluchtstroken, die zich uitstekend lenen om als fietspad te dienen. De weg is nog niet druk. Dit zal bij het naderen van Bangkok wel veranderen denk ik.
In Chanthaburi zoek ik de KP Inn. Deze zou tegenover het dure KP Grand Hotel te vinden moeten zijn. Fiets een paar maal heen en weer, maar kan het niet vinden. Wel staan er twee grote gebouwen in de steigers. Dan maar in het Grand Hotel op de 17de verdieping een prachtige kamer met een fantastisch uitzicht over de stad. De prijs valt mee 1000 Baht (25 euro) inclusief ontbijt. Minder dan de boeken aangeven. Dit is het hotel voor de juwelen inkopers. Saffieren en Robijnen van geheel Zuid Oost Azië worden hier verhandeld.
Mooie chique kamers, voel me hier goed thuis. Zoals gezegd; ik ben geen lowbudget reiziger.
Gisteravond op het strand met de blote voeten in het zand at ik met mijn vingers een heerlijk aan het spit gebraden kippetje. Vanavond dineer ik in de Sky room van het KP Grand hotel. Live muziek. Twee heren, verschillende instrumenten bespelend. Drie dames in verschillende leeftijden en vormen, ondersteunen hen afwisselend. Op twee Thai na, die na een half uurtje dineren verdwenen zijn, spelen ze voor mij alleen. Ik gedraag me als een Thai. Ga mijn eigen gang, schrijf nu dit. En laat de omgeving, de omgeving zijn. Bestel de eend, jammer is er niet. Een fles witte wijn heb ik al besteld. Dan maar weer iets met kip met tomatensoep deze keer. Hoewel dit een chique restaurant is, kom ook hier alles tegelijkertijd op tafel. Ik eet mijn soep over het bord met de kip heen. De ober, zeer vriendelijk, lukt het niet, de wijn zonder op het tafellaken te druppen, in te schenken.
Wat ik vanavond hier boven op de 18de in de Sky Room betaal, daar kan een gezin, hieronder op straat meer dan een week van eten. Moet ik me schuldig voelen? De wijn en de muziek zijn helemaal niet slecht, aangenaam zelfs. Ik geniet met een prachtig uitzicht over de nachtelijke stad. Ook dit is Thailand. Ook dit is vakantie.
 
Vrijdag 7 maart 2003

Chanthaburi – Koh Samed (110 km)

Weg nummer 3 wordt steeds drukker. Met elke stad die ik passeer komt er meer verkeer bij. Nog ongeveer 250 kilometer naar Bangkok. Er zijn ongetwijfeld binnenweggetjes. Goede weggetjes ook, met nummering. Een kaart te vinden waar op al die wegen met nummer staan vermeld is me tot op heden niet gelukt. Dan maar langs de 3. Echt leuk is het niet. Fiets dan ook stevig door. Stop af en toe om een cola te drinken. Veel industrie onderweg. Toch ook mooie natuur. Lange langzaam stijgende en dalende weg. Echter op een smalle (land)weg zit je links en rechts middenin de natuur. Op de 3 kijk ik meestal alleen links. Ik bereik Ba Pen na 110 kilometer in vijf uur.
Het gaat allemaal redelijk snel in Ba Pen. Bij het Tourist Office koop ik een kaartje voor de overtocht naar het eiland Koh Samed. Binnen vijf minuten worden we naar een boot gebracht. Hoe dat altijd goed gaat met de aanlegsteigers en de boot? Ook deze keer is de afstand tussen krakkemikkige steiger en schommelende boot weer groot. Ook deze keer gaat het, inclusief fiets, weer goed. In de Lonely Planet staat vermeld dat het een hectische business aan een deze pier zou zijn. Alles rustig.
Vind ook snel een mooie bungalow met een prachtig uitzicht op het strand en de zee. Vierentwintig uur stroom. De stroom op dit eiland wordt door generators verzorgd. De meeste onderkomens hebben alleen van zes uur ’s avonds tot zes uur ’s morgens elektriciteit.
 
Zaterdag 8 maart 2003

 Koh Samed

Vanmorgen om zeven uur trekt er een onweersbui over het eiland. Heerlijk verfrissend. Alles ziet er weer mooi schoon, groen uit. Volgens de boeken is Koh Samed de plaats in Thailand waar de minste regen valt. Dus ook in het regenseizoen een goede plaats om te bezoeken. Ironisch genoeg is dit de plaats waar ik in de laatste vier weken de enige regen zie. Een uurtje later kan de zon weer onbarmhartig zijn gang gaan.
Het merendeel van de toeristen op Koh Samed is van (rijke) Thaise afkomst. Daarbij nog de weekendgasten. Veel Thai komen denk ik alleen maar om eens fatsoenlijk te zuipen. Op de boot al, tassen vol met whisky en sodawater. Ze beginnen vroeg. Dat wil zeggen vroeg in de namiddag en nu om acht uur in de ochtend staat de whisky ook op tafel.
Mijn strandbungalow staat helemaal aan het begin van een ongeveer één kilometer lang strand. In het midden van dit strand zijn enige bars met luide muziek. Ik heb heerlijk rustig geslapen bij het ruisen van de golven.
 
Zondag 9 maart 2003

Koh Samed

Op de droogste plaats van Thailand regent het weer. Nu bijna de gehele ochtend. Buiten nat. Binnen droog. Er is geen water voor douche en toilet. Bij de receptie krijg ik, gratis, zes flessen water om me te wassen.
Na de regen fiets ik een stukje op het eiland. Bungalow na bungalow waar strand is, en prachtig groen oerwoud. Bij de pier is het een drukste van jewelste. De Thai weekendgasten gaan tegen het middaguur weer huiswaarts.
Overal op het eiland zie ik waterwagens rijden. De hotel waterreservoirs worden weer bijgevuld. Als ik bemodderd bij de bungalow terug kom, heb ik ook weer (zand) kleurig water.
 
Maandag 10 maart 2003

Koh Samed - Pattaya (Bang Sareh) (86 km

Highway 3 wordt steeds drukker. Langs de wegen komt meer industrie. Nog ongeveer 180 km naar Bangkok. Veel alternatieve wegen zijn er niet. Vanmorgen op de boot met twee Amerikaanse fietsers zitten praten. Zij hadden een goede kaart van dit gebied. Met alle wegen, met nummer. Maar de binnenweggetjes, zo vertellen zij, komen elke keer weer terug op Highway 3. Dus echt binnendoor kan ook niet in deze streek. Ze zijn net een week onderweg en gaan nu richting Cambodja. Ze waren dus razend nieuwsgierig naar mijn ervaringen. Ze willen van hieruit weer naar het noorden gaan en dezelfde route volgen die ik gedaan heb. Met mijn dagboek in de hand heb ik ze vele tips kunnen geven. Echt leuk vonden ze mijn beschrijvingen van de wegen niet. De twee, man en vrouw, hebben mountainbikes zonder versnelling. Ik dit vlakke gebied moet dit kunnen, zo zegt hij. Ik hoop het. In totaal zijn ze acht weken onderweg en weten nog niet hoe ze die na Cambodja zullen gaan invullen. Vietnam of Laos of beide. Ook zei vertellen mij het verhaal van de twee doodgeschoten fietsers in Laos.
Uitzicht op Pattaya. Pattaya het drukste strandgebied van Thailand.(12000 Hotelkamers). Met opzet ben ik in een rustig plaatsje, Bang Sareh, even voor Pattaya, gebleven. De prijzen zijn echter al wel op Pattaya ingesteld, 1500 Baht per nacht. Aan de overkant van de baai zie ik de torenflats van Pattata. Wil hier twee nachten blijven en morgen een uitstapje naar Pattaya maken.
Heerlijk rustig oord. Weg van alle (westerse) toeristische attracties. Veel Thai hier. Ook weer de rijkere Europeaan. Met deze keer niet zijn maîtresse, maar zijn schandknaap.
Diner. Aan zee, het is windstil dus broeiend heet. Minimum temperatuur, volgens de Bangkok Post, om 06:00 uur 25 en maximum 37 graden. En ik maar zeggen dat het ’s morgens koel is. Toch voelt het zo. Jammer, nu begint de dame, van de live muziek, in het Thai zielig te kwijlen. De droevige Thaise liedjes kan ik niet waarderen. Echter de violist speelt daarbij zo bedroevend treurig, dat het weer hartstikke mooi in mijn oren klinkt. Of is de rode wijn daar ook een beetje debet aan. Maakt niets uit. De vriendelijke bediening heeft een ventilator naast mijn tafel geplaatst. Geniet van de koelte, wijn en muziek (nu, Two lonely people together). Mijn fiets en ik?
 
Dinsdag 11 maart 2003

Pattaya

Pattaya, het Benidorm van Thailand. Ooit begonnen als Rest and Recreation (RandR) voor Amerikaanse soldaten uit de Vietnam oorlog. Pattaya een te grote stad geplakt aan een te klein strand. Het strand is, bij vloed, niet meer dan tien meter breed. Zon is er niet veel, want het kleine strookje staal vol met parasols, daaronder ligstoelen. Verrassend weinig mensen op deze stoelen. Ze zijn, denk ik, bij de swimmingpool van hun hotel gebleven. Kan ik me goed indenken. Vlak achter het strand is de boulevard met veel verkeer. Voor het strand liggen de tientallen boten op toeristen te wachten. Vorige week is er nog een gezonken, één toerist verdronken. De bemanning is gevlucht. Toch varen de boten normaal door. Wel wordt ’s morgens op de boten waar ik op gevaren heb, een bloemen en een wierook offerande gebracht. Mooie orchideeën met enkele staafjes wierook worden voorop de punt vastgezet. Misschien had de bemanning van de gezonken boot dit vergeten?
Als ik weer terug in het hotel ben, heb ik tot mijn verrassing 65 kilometer gefietst. Boulevards van Jomtien en Pattaya. Hotel, restaurants, torenflats, bars, karaoke cafés, massage salons en veel meer van die zaken. Neen die paar uurtjes die ik er van gezien heb zijn genoeg.
 
Woensdag 12 maart 2003

Pattaya – Si Rachia (49 km)

Omdat de highway 3 gescheiden rijbanen heeft en er weinig keerpunten zijn, rijden veel mensen ‘even’ tegen het verkeer in. Regelmatig kom ik ze dan ook tegemoet. Vanmorgen iets anders. Een olifant, met menner in de nek, komt me doodgemoederd tegemoet wandelen. De tweede olifant loopt wel in de goede richting, moet ingehaald worden. Vandaag weer iets geleerd; als je een olifant inhaalt, neem dan een ruime bocht. Zijn (of haar) staart is langer dan je denkt en zwaait bij elke stap naar links en rechts uit.
Ik ben in Si Rachia, een kort ritje vandaag, 50 kilometer. Morgen de laatste etappe, nog ongeveer 100 kilometer naar Bangkok. Dit is in één dag te doen, echter in deze hitte en in dit drukke verkeer was me dat net iets te veel.
 
Donderdag 13 maart 2003

 Si Rachia – Bangkok (115 km)

De hel van Azië II? Het verkeer in Bangkok is het meest verschrikkelijke ter wereld lees ik. Je moet ook echt wel een tik hebben (ik?) om hiervoor je plezier te gaan fietsen. Maar als ik van A naar B fiets, en B is Bangkok dan doe ik dat ook.
Achteraf valt het allemaal wel mee. Veel files, als fietser werkt dat in je voordeel. De auto’s kunnen niet hard rijden, dus voor de fietser veel veiliger EN rustiger. Ik gedraag me als een volwaardige verkeersdeelnemer. Als ik het gevoel heb, dat ik (letterlijk) aan de kant gedrukt wordt, dan ga ik midden op de rijstrook fietsen. Niet om te treiteren, maar om ruimte voor mezelf te creëren. Tip; in de file of voor een stoplicht? Zoek oogcontact met de chauffeurs en grijns. Altijd krijg ik een grijns terug. En als je dan samen langzaam verder rijdt, houden ze meer rekening met je.
Het meest gevaarlijk, voor de fietser, zijn de grote brede roosters. Soms over de gehele rijstrook. De sleuven in deze rooster liggen in de rijrichting. Met de fiets rij je je hier onherroepelijk in vast. Al met al is fietsen in Bangkok niet aan te raden. Als echt gevaarlijk heb ik het niet ervaren. Van de omgeving zie je weinig. Het is constant opletten, links, rechts, achter je, welke richting moet ik nemen, roosters, gaten in de weg, stoppende (snijdende) taxi’s. Kortom alleen voor idioten.
Ik blijf de Highway 3 volgen. Thanon Sukhumvit heet deze straat. De laatste 20 kilometer gaan langzaam. Veel verkeerslichten en files, maar ik ben al lang blij dat alles zo soepel loopt. Ik rijd in één keer naar de juiste plaats. Soi (=zijstraat) 22, moet ik zijn. Ik begon anderhalf uur eerder met aftellen bij soi 66. Het laatste hotel heb ik via het Internet geboekt “Jade Pavilon Hotel” 1000 Baht, inclusief ontbijt. Zeer goede prijs kwaliteit verhouding, zeker voor hartje Bangkok. In het hotel moet ik nog even ‘knokken’ voor een goede plaats voor mijn fiets. Als ik aan kom dirigeren ze me direct naar een open garage. Ik weiger. Vraag de hotelmanager. Binnen, oké, zegt hij. Maar de portier heeft gelijk, de kofferkamer is te klein en te vol. De manager;” Op u kamer als u geen bezwaar heeft?” No problem, antwoord ik.

Where are you going? Bangkok. Oké you are number one. Zegt de portier van het hotel in Si Rachia. De eerste kilometers zijn nog vrij rustig. Maar dan kom ik bij Chon Buri, hier begint de drukte. Opeens is Highway nummer 3 weg. Nummer 34 fiets ik nu. Ik vraag toch maar even na. Het is goed, neem de tweede baan. Op vier drukke rijstroken fiets ik in het midden. Links en rechts scheuren vrachtauto’s en bussen voorbij. Het advies is niet verkeerd, maar het past beter voor een auto. Tip; neem na Chon Buri de 34, ga niet omhoog, dit is de expres way naar Bangkok, en blijf zoveel mogelijk links. Na het oversteken van een rivier, is daar opeens, linksaf, weer de 3. Nu gedegradeerd tot een B-weg. Enkelbaans en rustiger.
Als ik de stress van de 34 achter de rug heb, hoor ik fanfare muziek. Ik rij een schoolplein op. Onder de klanken van “The Saints go marching in” en “Glorie, Glorie halleluja” marcheren de leerlingen zeer ordentelijk de klaslokalen in. De muziek klinkt ontroerend mooi. Als de leerlingen de klassen in zijn komen enkele leraren naar me toe. Nu begrijp ik ook waar de Thai hun vreemde uitspraak van het Engels vandaan hebben. De leraren spreken de taal niet veel beter uit. Toch is het een aangenaam gesprek. Als ze weggaan, draait een lerares zich om en vraagt wat ik van de Thaise bevolking vind. Ik heb een heleboel te vertellen, maar zeg het voor mij belangrijkste. “ Het zijn zeer vriendelijke mensen” Ze lacht; “Ik hoop dat je weer terugkomt in Thailand” zegt ze.
 
Vrijdag 14 maart 2003

Bangkok

Bangkok. Een luie dag. Als je niets doet, merk je pas hoe moe je bent. Ik wandel een beetje door een broeierige stad, onder een bewolkte hemel. Ik ben vroeg, negen uur. De meeste winkels gaan pas om elf uur open. Koop een krant, de Bangkok Post, en later tot mijn verrassing de Telegraaf van woensdag. Ga in een café zitten, bestel een (paar) pilsjes en lees de kranten. Van niets doen wordt je moe. Bij de swimmingpool doe ik een dutje. Pak mijn fietstassen en tracht voor de terugvlucht nog wat schone kleding te vinden.
Zoals altijd is het moeilijk om, met de fiets, transport naar het vliegveld te vinden. Na veel gepraat en heen en weer geloop lukt het. Nu maar afwachten of ze er morgenvroeg om half vijf ook echt zijn. Ik heb vooruit moeten betalen.
Als afsluiting van het diner en de vakantie trakteer ik mezelf op en goede cognac. Gisteren kreeg ik de whisky in een likeur glas. De cognac komt gelukkig in het juiste glas.
 
Zaterdag 15 maart 2003 Bangkok - Düsseldorf

Als ik om kwart over vier in het hotel afreken, staat het transport naar de luchthaven al te wachten. Ook ’s morgensvroeg is het zeer druk op de wegen in Bangkok, gelukkig nog geen files. We zijn dan ook snel bij het vliegveld. Het inchecken gaat zeer snel, en na een licht ontbijt zit ik alweer in het vliegtuig huiswaarts.
 
   

Twee duizend kilometer gefietst. Geen enkele lekke band. Geen spaak gebroken. Buiten de problemen met de fietstassen, op de eerste dag, alles vlekkeloos verlopen. Behalve een goede conditie en goed materiaal, moet je tijdens een dergelijk reis ook even je verstand op nul en je blik op oneindig kunnen zetten. Honderd kilometer over een zeer slechte weg bij volle bewustzijn is anders niet uit te houden.
Waarom Cambodja? Om twee redenen. 1. Omdat het land qua toerisme nog relatief onbekend is en 2. Ik wilde de tempels van Angkor Wat graag zien. Wil je ook deze ‘romantiek’ meemaken, dan zul je snel moeten zijn. Men is druk bezig de wegen te verbeteren, dit zal, denk ik een extra stroom van toeristen tot gevolg hebben. Met doorzettend verval van de tempels en het extra aanbod van toeristen zal Angkor Wat tegen die tijd, zo schat ik in, alleen nog van een afstandje te bewonderen zijn.

Wim Leeuw   Apeldoorn 31 maart 2003